Leerdoelen bepalen

Lemov (2012) omschrijft één techniek om een goede lesplanning te beginnen: “Begin aan het eind.” Hij wil daarmee zeggen dat je begint om het doel van de les te bepalen. Wat wil je dat een leerling aan het einde van de les beheerst, geleerd heeft. Hattie (2009) komt bij zijn meta-analyse van metastudies tot dezelfde conclusie: “Het helpt om bij het maken van een les achterstevoren te denken. Begin bij de vraag wat de les concreet moet opleveren en redeneer terug.

In een stappenschema wordt dat dus achtereenvolgens:

  1. Wat moet de leerling aan het eind concreet weten, kunnen, vinden, willen?
  2. Wat is het minimumcriterium om te kunnen zeggen dat dit is gelukt?
  3. Hoe kan de leerling laten zien dat hij aan dat criterium voldoet?
  4. Wat moet de leerling tijdens de les doen (welke leeractiviteiten gebruik je) om de doelen te bereiken?
  5. Welke materialen (taken, input, hulpmiddelen, media) zijn er voor nodig?
  6. Wat moet je als docent (vooraf, tijdens en aan het eind) doen om te bewerkstelligen dat de leerling een actieve leerhouding aanneemt?

Op Helen Parkhurst werken we met leerlijnen per vak. Daarin vermelden we de leerdoelen van het betreffende vak voor een periode van 6 of 12 weken. Een leerdoel dient zo concreet mogelijk te worden geformuleerd, zodat de leerling precies weet wat hij moet kennen en kunnen, in hoeveel tijd, op welke manier, onder welke omstandigheden en met welke hulpmiddelen.  De leerlijn gebruiken we vervolgens als basis voor de voorbereiding van de lessen.

Tips voor het formuleren van leerdoelen

Het formuleren van concrete leerdoelen voor je vak heeft een aantal voordelen:

- Je kunt goed vaststellen wat je met je les bij de leerlingen wilt bereiken.
- Je kunt achteraf gemakkelijker vaststellen door middel van toetsen en/of taken of het gewenste leerdoel is bereikt.
- Je krijgt door de leerdoelen betere aanwijzingen voor het kiezen van een geschikte strategie, leermiddelen en werkvormen.
- Leerlingen krijgen duidelijke informatie over de leerstof die ze moeten verwerven en het niveau waarop ze die leerstof moeten beheersen.

Volgens Ebbens & Ettekoven (2005) vormt het leerdoel de kern van de les. Die moet je in één zin kunnen weergegeven. Een zin die antwoord geeft op de vraag aan de leerling: “Wat heb je deze les geleerd?” Dus het eigenlijke leerdoel geeft aan wat de leerling moet kennen en kunnen, en niet wat de docent moet doen of behandelen. Hierbij zijn vier kwaliteitsaspecten van belang:

Een leerdoel is geschreven in leerlingentaal
Door een heldere formulering van het leerdoel kan de leerling nagaan in hoeverre hij op de goede weg is

Een leerdoel is betekenisvol
Om betekenis te kunnen geven aan leerstof moeten de vijf vragen van Perkins (APS, 2008), naar doel, kenmerken, voorbeelden, argumenten en dagelijkse praktijk uiteindelijk door de leerlingen te beantwoorden zijn.

Een leerdoel sluit aan bij de voorkennis van de leerlingen
Bij vrijwel elk onderwerp dat de docent aansnijdt in zijn lessen bezitten leerlingen voorkennis. Slechts een enkel onderwerp is volslagen nieuw: woorden roepen beelden op, begrippen zijn al aanwezig, hetzij als geheel, hetzij als deel, of eventueel als misconcepten. Leerlingen staan vrijwel nooit blanco tegenover een onderwerp. Als de docent kans ziet de leerdoelen aan te laten sluiten bij de al aanwezige kennis, en die voorkennis kan activeren om zo als het ware gebruik te maken van reeds beschikbaar ‘geheugen’, zal de nieuwe kennis bij leerlingen eerder beklijven dan wanneer zij de relatie tussen de verschillende onderwerpen niet zien. Docenten moeten het begrip ‘voorkennis’ daarbij niet uitsluitend zien als ‘schoolkennis’, maar veeleer als het bestaande begrippenapparaat en de ervaringen van de leerlingen rond het onderwerp (Ebbens & Ettenkoven, 2005).

Een leerdoel is haalbaar
De kern van de les moet haalbaar zijn voor alle leerlingen. Alle leerlingen moeten succes kunnen behalen. Dit is des te belangrijker naarmate de verschillen tussen de leerlingen in de klas groter zijn.

Verder is het van belang dat het leerdoel zo geformuleerd moet zijn dat het slechts op één manier is uit te leggen. Vermijd daarom (vage) werkwoorden als: kennen, weten, begrijpen, inzien, inzicht hebben in, de betekenis kennen van, op de hoogte zijn van. Gebruik liever eenduidige actiewerkwoorden zoals: noemen, schrijven, tekenen, aanwijzen, oplossen, uitvoeren, analyseren, selecteren, demonstreren, construeren, verklaren, onderscheid maken tussen.