Afsluiting van de les

Tijdens de afsluiting van de les wordt er teruggekeken op wat er die les is geleerd. De afsluiting van de les helpt je te beslissen of er extra oefening of instructie nodig is. Hieronder een aantal werkvormen die hierbij kunnen helpen.

1.       Bingo
Deze werkvorm is een leuke en spannende manier om lesstof te herhalen, kijken of begrippen begrepen zijn of om voorkennis te activeren.
Werkwijze:

1. Laat alle leerlingen snel op een blaadje een negen-vakjes bingoformulier tekenen

2. Schrijf op het bord twaalf woorden/begrippen/namen van een stuk behandelde leerstof

3. Vraag alle leerlingen om in elk vakje van hun bingoformulier negen van de woorden/begrippen/namen van het bord over te nemen. Als ze slim zijn schrijven ze die woorden op waarvan ze waarschijnlijk goed weten wat het betekent

4. Zeg: ‘kijk naar je papier’. Lees de definities/omschrijvingen van de twaalf woorden/begrippen/namen een voor een voor in een willekeurige volgorde. Gebruik daarvoor losse kaartjes waar ze op staan. Het stapeltje wordt geschud (net als bij kaarten) zodat iedereen kan zien dat de volgorde willekeurig is, net als bij bingo.

5. Leerlingen strepen telkens het woord/begrip/naam door waarvan ze denken dat de definitie/omschrijving opgelezen wordt. Als iemand een lijn vol heeft (horizontaal, verticaal of diagonaal) roept hij dat en leest vervolgens de begrippen en noemt hun betekenis. Als iemand het hele blad vol heeft roept hij ‘bingo’. Weer leest die winnaar de begrippen voor en de betekenis er van. De rest van de klas reageert hierop door fouten eruit te halen.

Variaties:
• Gebruik een 16 hokjes bingo formulier met 25 begrippen
• Leerlingen hebben met z’n tweeën een bingoformulier dus overleggen met elkaar
• Een plaats van definities of omschrijvingen voorlezen, kun je ook vragen stellen zoals in een toets
• Gebruik bij talen waarmee je spelling oefent. Leerlingen hebben twaalf woorden leren spellen. De leerlingen mogen die woorden afstrepen die ze goed hebben gespeld.

2. Teamtournooi
Een leuke en spannende manier om te kijken of lesstof is begrepen! Deze werkvorm kan op papier gedaan worden, maar ook met een ICT-tool, bijvoorbeeld met Socrative, in de vorm van een spacerace. Een uitgebreide handleiding kan je hier vinden.
Werkwijze:

Maak ongeveer 25 oefenvragen over de geleerde stof. Geef op een apart papier de correcte antwoorden.

1. Teams samenstellen

Verdeel de klas in groepen van drie. De groepen zijn heterogeen samengesteld, dat wil zeggen een goede, een gemiddelde en een zwakkere leerling vormen samen een groep. Geef elke groep een set genummerde kaarten om vast te stellen welke vraag zij moeten beantwoorden.

Binnen de groep trekt een leerling een nummer en neemt de bijbehorende vraag. Hij probeert deze zo goed mogelijk te beantwoorden waarna de anderen de eerste mogen helpen. Daarna vergelijken ze hun antwoord met het antwoordvel. Zo werken de drie leerlingen binnen een bepaalde tijd alle vragen door.

2. Toernooi

De leerlingen herverdelen zich in homogene groepen van drie. Deze homogene groepen bestaan uit leerlingen die de oefenvragen over het algemeen goed beantwoorden, de middelmaat en leerlingen die meestal een fout antwoord gaven.

Alle leerlingen krijgen de 25 toetsvragen met bijbehorende antwoorden. Weer trekken leerlingen één voor één een kaartje voor een vraag. Leerling 1 beantwoordt de toetsvraag zo goed mogelijk. Als leerling 2 en 3 denken het beter te weten mogen zij ook een antwoord geven.

Vervolgens wordt, met behulp van het antwoordvel, het antwoord van leerling 1 vergeleken met de door leerling 2 en 3 gegeven antwoorden. Het beste antwoord krijgt een punt. Een fout antwoord levert uiteraard niets op.

3. De winnaar
Tot slot worden de punten van de oorspronkelijke groep opgeteld bij elkaar en het team dat de meeste punten heeft is de winnaar.

3. Doorgeefvragen
Het doel van deze werkvorm is het herhalen en oefenen van lesstof ter voorbereiding van een proefwerk.
Werkwijze:

• Leerlingen vormen groepjes van drie of vier.

• Elke leerling krijgt een werkblad (zie onder). Elke leerling bedenkt een onderwerp waarover een vraag moet worden bedacht.

• Daarna wordt het blad doorgegeven aan de volgende leerling. Deze bedenkt een vraag bij het ingevulde onderwerp.

• Weer wordt het blad doorgegeven. De derde leerling vult het antwoord in.

• Tenslotte wordt het blad teruggegeven aan de eigenaar. De oplossingen (vragen en antwoorden) worden in het drietal besproken.

Tip: Beloof de leerlingen om enkele goede vragen in het proefwerk op te nemen.
doorgeefvragen