Verwerkingsopdrachten

Een leerling kan de informatie die hij/zij heeft gekregen pas verwerken tot kennis als hij/zij er zelf  of samen  met anderen mee aan de slag is geweest. Hieronder worden een aantal werkvormen genoemd die dit kunnen bewerkstelligen. De onderstaande werkvormen kunnen ook gebruikt worden als tussenopdrachtje.

1.       Welk woord weg
Deze werkvorm kan gebruikt worden om na te gaan of begrippen (of vreemde woorden) zijn begrepen.
Werkwijze:

Maak rijtjes met drie of vier woorden die schijnbaar bij elkaar horen. Dit kan op kaartjes of op het bord. Zorg ervoor dat in een reeks van vier, er steeds één niet bij hoort. Aan de leerlingen natuurlijk de vraag uit te zoeken welk begrip, woord, persoon enzovoort er niet bij hoort. De leerlingen moeten uitleggen waarom juist dat antwoord wordt gekozen. Het is interessant als er meer dan één goed antwoord is, afhankelijk van de invalshoek waarmee je die vier woorden bekijkt. Er zijn verschillende opdrachten mogelijk:• Bepaal welke begrippen bij elkaar horen en welke niet. Praat er met elkaar over zodat je het eens wordt. Er zijn soms meerdere antwoorden mogelijk!
Voorbeeld: auto – bus – motor – fiets.
Weg: fiets want geen motor of eruit: bus want groepsvervoer.
• Probeer nu een begrip toe te voegen aan de betreffende regel. Zorg ervoor dat de begrippen nog steeds hetzelfde gemeen hebben.
• Probeer nu zelf een lijst met vijf regels van drie begrippen samen te stellen waarbij telkens één begrip er niet in thuis hoort. Geef je lijst aan je klasgenoot en kijk of maak elkaars opdracht.
• Probeer nu alle begrippen van de lijst onder te verdelen in groepen. Geef een logische verklaring voor de groepen.

2. Verboden woorden
Deze werkvorm is uitermate geschikt om bepaalde begrippen te oefenen/herhalen.
Werkwijze:

In dit spel is het de bedoeling dat je zo eenvoudig mogelijk een begrip uitlegt aan een ander zonder de ‘taboe-woorden’ te gebruiken.
Bijvoorbeeld: begrip is ‘Pizza’ en de taboe-woorden zijn : Italïe, kaas, tomaat, pasta, voedsel en lekker.
Als je zelf de taboe-woorden voor een ander moet bedenken, maak het dan zo moeilijk mogelijk door taboe-woorden te kiezen die belangrijk zijn voor de uitleg van het begrip.
Er zijn verschillende manieren om deze werkvorm in te zetten:OPDRACHT 1:
• Je werkt eerste samen met je buurman/vrouw
• Ieder koppel krijgt een begrip met zes taboewoorden
• Noteer een zo gedetailleerd mogelijke omschrijving van het begrip
• Gebruik geen taboewoorden en hou je eigen begrip geheim
• Nu ga je uitwisselen met het tegenover je zittend koppel: lees de omschrijving voor en de andere twee proberen het begrip te raden. Tip: de begrippen hebben allemaal te maken met de kringloop van het water

OPDRACHT 2:
• Elk koppel krijgt een begrip uit de leerstof
• Noteer zes taboe-woorden om de uitleg van dat begrip zo moeilijk mogelijk te maken.
• Geef het begrip met de taboewoorden aan het koppel tegenover je. Zij moeten nu een omschrijving van het begrip maken zonder het gebruik van de taboewoorden

OPDRACHT 3:
• Ieder koppel krijgt een begrip
• Bedenk 6 taboewoorden bij dat begrip
• Laat het koppel dat tegenover je zit raden wat dat begrip is door alleen de taboewoorden op te noemen

6.3

3. Bespreking van een toets
Alhoewel deze werkvorm eigenlijk geen verwerkingsvorm is als zodanig, is het toch een belangrijk onderdeel. Het helpt de leerling terug te kijken op de lesstof, de manier van leren en de resultaten. Een heel mooie manier van reflectie dus! Deze werkvorm voorkomt dat leerlingen alleen gespitst zijn op hoeveel punten ze verdiend hebben en of de docent misschien nog ergens een puntje heeft laten liggen waardoor de leerstof waarover de toets ging de minste aandacht heeft.
Werkwijze:

Geef de toets op de gebruikelijke manier terug.
De docent heeft aangegeven waar de gebreken/fouten zitten of waar iets mist. De leerling verbetert zijn antwoorden individueel, met behulp van zijn aantekeningen, boek of wat hij maar kan gebruiken. Hij verbetert en vult antwoorden aan in een andere kleur. Daarna geeft de leerling zijn verbeterde toets aan een buurman/buurvrouw. Deze gaat na wat er nog verbeterd en/of toegevoegd kan worden. De twee leerlingen overleggen over hun verbeteringen en aanvullingen. Tenslotte kan de docent de eventueel overgebleven problemen klassikaal bespreken.

Variatie:
De leerling gaat ook na wat voor soort fouten hij/zij gemaakt heeft:
1. “Stomme” fouten. (kennisvragen) Bijvoorbeeld: schrijffouten, rekenfouten, leesfouten enzovoort.
2. Fouten die vermeden hadden kunnen worden als hij/zij iets beter had nagedacht of geleerd. (toepassingsvragen)
3. Fouten bij opgaven die hij/zij echt te moeilijk vindt (inzichtvragen).

De leerling berekent hoeveel punten hij meer zou hebben gekregen als hij de punten van fouten in de categorie 1 en de helft van fouten in categorie 2 bij zijn eindresultaat optelt. Voor veel leerlingen is deze methode verhelderend en vaak confronterend. Het bevordert de zelfreflectie en geeft sneller aanleiding om het eigen leergedrag aan te passen.